In een tijd waarin crises elkaar naadloos opvolgen, heeft de overheid gereageerd met nieuwe bureaucratieën en beleid. Achter de ogenschijnlijk nobele inspanningen schuilt echter een gevaar: het falen van de trias politica (hierna: rechtsstaat).

Dit gevaar schuilt in de geleidelijke overdracht van wetgevende macht van het parlement naar de bureaucratie. Beleid is steeds vaker instrumenteel en wordt opgesteld als ’toekenningswetgeving’, waarbij het parlement grotendeels de verantwoordelijkheid voor het maken van gedetailleerde regels heeft overgedragen aan de uitvoerende macht.

Deze verschuiving van macht is niet alleen te wijten aan bureaucratische expansie, maar ook aan een gebrek aan verantwoordelijkheid van de parlementen. In plaats van hun rol als controleur van de uitvoerende macht serieus te nemen, geven ze deze macht vaak vrijwillig weg. Het resultaat is een overheid die zichzelf als ‘wendbaar’ beschouwt, maar in werkelijkheid ondoorzichtig en onverantwoordelijk is geworden.

Dit fenomeen beperkt zich niet tot Nederland, maar verspreidt zich over democratieën wereldwijd. Vrijwel overal zien we een erosie van de checks and balances tussen de verschillende machten. De wetgevende macht, de rechterlijke macht en de uitvoerende macht werken steeds vaker samen in plaats van elkaar te controleren.

Het resultaat van deze ontwikkeling is een ‘manageriële’ benadering van de wet, waarbij flexibiliteit en snelheid belangrijker zijn geworden dan consistentie en rechtszekerheid. Concentratie van macht en een gebrek aan diversiteit in perspectieven en belangen leiden tot tunnelvisie en niet-geïdentificeerde risico’s. Dit werd vooral duidelijk tijdens de COVID-19-pandemie, toen regeringen snel en vaak willekeurige nieuwe regels oplegden zonder adequate parlementaire controle.

De ‘wendbare overheid’ ondermijnt de kernprincipes van de rechtsstaat. In plaats van een stabiel beleid, worden burgers geconfronteerd met een overheid die de regels naar believen verandert. Dit creëert een klimaat van onzekerheid en wantrouwen, waarin de burgerlijke vrijheden steeds verder worden ingeperkt.

Om de rechtsstaat te laten werken, moeten de mensen in machtsposities zich houden aan het idee dat de rechtsstaat een beperking is op henzelf, op de parlementen, op de uitvoerende macht, en zelfs op rechtbanken. Zolang de mensen die die posities bekleden hierin geloven werkt het. Maar mensen in die posities geloven niet meer in dit idee omdat het hen beperkt in het kunnen doen wat zij denken dat hun taak is, namelijk de samenleving ‘managen’. 

Want management vereist behendigheid en responsiviteit. Het vereist dat je ‘erin duikt’ en aan de slag gaat. Dat is niet de manier waarop de rechtsstaat werkt. De rechtsstaat is het idee dat het parlement grote regels maakt op basis van belangrijke principes. De wet is er voor iedereen om te kennen en te begrijpen. Dat is nu niet meer hoe het werkt. Nu is de wet er voor de mensen in machtsposities om te begrijpen en uit te vaardigen wanneer het hen uitkomt om ervoor te zorgen dat de gewone mensen doen wat ze moeten doen.

De rechtsstaat staat recht tegenover wat onze leiders denken dat hun taak is.

Van rechtsstaat naar beleidsstaat

Een belangrijke oorzaak kan worden gevonden in het moderne idee van de mensenrechten en de daaruit voortvloeiende Nederlandse grondwetsherziening van 1983. In dat jaar zijn sociale grondrechten opgenomen in de Grondwet. Een aantal onderwerpen, zoals werkgelegenheid, huisvesting en volksgezondheid werden ‘voorwerpen van zorg’ van de overheid. Dit legde inspanningsverplichtingen op aan de overheid. Wat die inspanningsverplichtingen betekenen, is niet gedefinieerd.

De traditionele grondrechten, zoals het recht op een eerlijk proces, eigendomsrecht en vrijheid van meningsuiting, zijn aangevuld met rechten van sommigen om anderen op te leggen. Deze sociale grondrechten worden geïnstrumentaliseerd en naar believen zo smal of breed geïnterpreteerd als nodig om te passen in de toevallige historische en ideologische omstandigheden van de makers van het beleid.

Nederland transformeerde hiermee van een rechtsstaat naar een beleidsstaat. De rol van de overheid veranderde van dienaar in redder. Het idee is dat de overheid moet ingrijpen om elk probleem op te lossen. Wat dus tevens impliceert dat elk probleem een bewijs is van de ontoereikendheid van de overheid. Zie hier de legitimatie van de ‘wendbare overheid’. 

Neem de ‘Wet betaalbare huur’. De invoering van prijsbeleid is een vorm van instrumentalisering, omdat sociale grondrechten een nulsomspel zijn. Als ik meer rechten heb, betekent dit dat jij minder hebt omdat ik kan eisen dat jij jouw woning onder de kostprijs verhuurt. Deze wet biedt geen oplossing en benadeelt velen, niet in de laatste plaats de huurders zelf. Een passender naam voor deze wet zou zijn de ‘Wet vermindering aantal huurwoningen’, maar dat terzijde.

Het resultaat van de beleidsstaat is dat het beleid zelf rechtsongelijkheid in de hand werkt.

Libertair perspectief

Vanuit een libertair perspectief is de verschuiving van een rechtsstaat naar een beleidsstaat inherent problematisch. Eenmaal deze weg ingeslagen, is er bijna geen weg meer terug. Elk nieuw beleid leidt onvermijdelijk tot onvoorziene gevolgen, die vervolgens moeten worden aangepakt met nog meer beleid, en zo verder. Dit resulteert in een almaar groeiende overheid die steeds meer aspecten van ons leven beheerst. Het is teleurstellend om te realiseren dat ambtenaren, hoewel zij individueel geloven het juiste te doen, collectief bijdragen aan de versterking van dit systeem. 

Volgens de Oostenrijkse School van Economie leidt overheidsinterventie in de economie tot inefficiëntie, verstoring van marktsignalen en uiteindelijk tot economische schade. Dit principe kan worden uitgebreid naar andere gebieden van het beleid. Wanneer de overheid probeert een oplossing te bieden voor elk sociaal of economisch probleem, creëert ze meer problemen dan ze oplost. Het invoeren van beleid om het woningtekort aan te pakken, zoals in het voorbeeld van de ‘Wet betaalbare huur’, leidt tot verstoringen in de huizenmarkt en tot het ontmoedigen van investeringen in woningen, wat het probleem verergert in plaats van het op te lossen.

Met de komst van Wilders-1 komt bovendien de vurige wens van Pieter Omtzigt voor de oprichting van een constitutioneel hof dichterbij. Dit hof roept nieuwe vragen op over de grenzen van sociale grondrechten en de rol van de overheid. Als ‘huisvesting’ een ‘voorwerp van zorg’ is, wie zal dan uiteindelijk bepalen wat de exacte inspanningsverplichtingen zijn? Wat zijn de implicaties als sociale grondrechten worden getoetst door een dergelijk hof? De zaak Urgenda biedt een voorproefje van de mogelijke gevolgen, waarbij de rechter een sturende rol speelt ten opzichte van het parlement.

Conclusie

De opkomst van de ‘wendbare overheid’ en de verschuiving naar een beleidsstaat ondermijnen de rechtsstaat. Door de nadruk op flexibiliteit en interventie heeft de overheid haar oorspronkelijke rol als dienaar van het volk verlaten en is ze veranderd in een instantie die zich mengt in alle aspecten van het leven, en eigenlijk niet anders kan handelen. Het is een systeem dat zichzelf in stand houdt en versterkt. Een nieuwe regering kan de nuances van het beleid veranderen, maar de essentie blijft gelijk. 

Het constitutioneel hof, zoals voorgesteld door Pieter Omtzigt, markeert het begin van een nieuw tijdperk voor sociale grondrechten in Nederland. Dit kan de scheiding der machten verder verstoren en resulteren in een ‘wet door rechters’ situatie in plaats van de ‘heerschappij van de wet’.

Nederland zal de bereidheid moeten hebben om terug te keren naar de fundamentele principes van het recht en het evenwicht tussen de machten, voordat we nog verder afdwalen.

steekwoorden